Epiloog 

 

 

 

Dit boek begon vorm aan te nemen in juli 1988, toen ik voor  
  het eerst in een schriftje met potlood mijn herinneringen en nachtmerries begon op te schrijven. Ik ontdekte dat ik verschillende handschriften had, en dat elk van die handschriften aan heel aparte delen van mijn ‘ik’ toebehoorde. Dat was zeer beangstigend, temeer omdat ik me vaak niet kon herinneren wat ik had opgeschreven, en toen ik de pagina’s herlas stuitte ik op lang verdrongen herinneringen. Ik was de feiten niet echt vergeten, alleen zaten zij verdeeld over verschillende persoonlijkheden, die elk hun eigen trauma’s hadden, en elk bepaalde feiten hadden meegemaakt. Ik wist niet dat deze splitsing een dissociatieve identiteitsstoornis was, een gevolg van het jarenlange en veelvuldige misbruik dat me als kind en jongere was overkomen. Het was alleen maar vreemd en angstaanjagend, en omdat ik niet meer geconfronteerd wilde worden met die sterk uiteenlopende handschriften, ging ik mijn gedachten uittypen. Dat had als voordeel dat ik aan een enorm tempo mijn overpeinzingen en herinneringen aan het papier kon toevertrouwen, en op zes weken tijd schreef ik grote delen van het boek dat uiteindelijk bij de BOB zou belanden en aanleiding was tot mijn eerste verhoor. 
 Schrijven werd voor mij een ontdekkingstocht naar mezelf (of zelven) en wat ik niet kon uitspreken – ik had immers geleerd om te zwijgen – kon ik toevertrouwen aan het papier. Als ik me eenzaam en wanhopig voelde, was er altijd mijn typmachine die me door de moeilijke momenten heen kon brengen, en later mijn computer. Dat scherm is mijn trouwste gesprekspartner geworden, en langzaam werden de losse flarden samenhangender. Tezamen met mijn integratie, werd ook dit boek geboren. 
 Er is nog zoveel te vertellen, zoveel door te geven, en ik moet zeggen dat ik het gevoel heb zoveel te zijn vergeten. De enorme complexiteit van seksueel misbruik is niet in één boek te beschrijven. 
 Ik heb mijn verhaal voornamelijk vanuit mijn gevoel en beleving geschreven, maar ook met de drang om de vele vragen die me gesteld worden te beantwoorden vanuit de ervaring die ik heb. Ik hoop dat mijn boek mag bijdragen tot een beter inzicht in de mechanismen en brainwashingstechnieken eigen aan kinderseksnetwerken. Niet om pedoseksuelen op ideeën te brengen, maar om aan te tonen dat kindermisbruik ontzettend veel schade berokkent. Mijn kennis kan misschien bijdragen tot een vluggere detectie, tot begrip bij mensen die met slachtoffers worden geconfronteerd. Misschien is dit boek ruw, en op sommige ogenblikken zelfs gruwelijk. Het overkomt talloze kinderen, u hoeft alleen maar te lezen wat de slachtoffertjes in werkelijkheid ondergaan (en als u het niet aankunt, legt u het boek opzij of slaat u een aantal bladzijden over). 
 Ik hoop dat dit boek de stem is van vele slachtoffers, dat het velen kan helpen te begrijpen wat hen is overkomen. Ik hoop ook dat dit boek gelezen wordt door leerkrachten, psychologen, onderzoekers en iedereen die op een dag misschien zelf met een slachtoffer kan worden geconfronteerd. Bedenk dat het niet de chronologie van het verhaal is die telt, maar wel het gevoel. Wat hier beschreven staat gebeurt, met kinderen die lachen en spelen, met kinderen die er net als alle andere kinderen uitzien. De daders zijn geen boemannen of monsters. Ze zijn intelligent, beleefd, voorkomend. Je kan het niet aan hen zien. 
 Maar kinderseksnetwerken bestaan. Je hoeft me niet te geloven om dat in te zien. Er zijn talloze cassettes en foto’s van kinderpornografie gevonden, ook op internet. Deze foto’s zijn niet getrukeerd. Deze kinderen bestaan, helaas. Het is een beangstigend feit, dat het ook in dit land gebeurt, bijna vlak onder onze neus. De bestrijding ervan zal pas kunnen als de beleidsmensen het bestaan van deze kinderseksnetwerken erkennen. 
 Zoals mijn goede vriendin Carine Hutsebaut ooit zei: ‘In Thailand staat men verder dan hier. Kinderprostitutie is daar tenminste al erkend!’ Het is aan ons om onze politici te wijzen op hun plicht aan dit fenomeen aandacht te besteden. 
 Ik heb geen idee hoe mijn leven nu verder zal verlopen. Ik ben al lang opgelucht dat de camera’s opgehouden zijn met draaien, maar ik wou dat ik kon zeggen dat mijn strijd gestreden is. Weet u wat mijn diepste wens is? Tiny Mast haar zoon Ken te zien omhelzen, Liam weer thuis te zien, omdat onze justitie en binnenkort onze eenheidspolitie werk maakt van het opsporen van kindermisbruikers. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat Sabine en Laetitia niet de enigen zijn die bevrijd werden. Ik hoop dat dit ook uw wens is. 
 
Voordwoord

Epiloog

Kapittel 13

Kapittel 23

Kapittel 28

Kapittel 63

Kapittel 68

Kapittel 69

Kapittel 79

Kapittel 83

Kapittel 84

Kapittel 85

Kapittel 86

Kapittel 89

Nawoord