Kapittel 85 
 
 
 
Op 23 april, de middag van Dutroux’ even spectaculaire als  
  ridicule ontsnapping, word ik geconfronteerd met Tony bij de Gentse BOB. Uren zit ik te wachten, in een benauwend klein bureautje, met een rijkswachter als waakhond bij me tot ik, als ik bijna kapot ben van spanning, zonder enige voorbereiding in een ruimte geduwd word waar mijn pooier al familiair zit te praten met een rijkswachter achter een bureau. 
 Hij is gekleed in zwarte broek, met een zwart hemd dat een beetje openstaat – en dat alleen maakt dat ik verlamd van schrik en herkenning onderdanig een stap achteruit zet – met een bijpassende das waaronder een Eiffeltorentje bengelt. Moeizaam zet ik me op de stoel. Ik verplicht mezelf naar hem te kijken, hoe hij zoals altijd met zijn linkerenkel op zijn rechterknie rust, hoe hij nog steeds vitaal en op zijn gemak zijn aanwezigheid laat voelen. Hij is nog steeds niet veranderd, alsof de energie die hij van mij en mijn vriendinnetjes heeft gestolen hem heeft belet ouder te worden. Ik daarentegen voel me oud, lelijk, bang, verslagen. 
 Toch ben ik alert. Ik weet van de BOB’er die me naar het bureau bracht dat hij gedeeltelijke bekentenissen heeft afgelegd. Dus tracht ik mijn lichaamstaal aan te passen, en assertiever over te komen dan ik eigenlijk ben. Ik ben jarenlang getraind in het verbergen van mijn ware gevoelens, hij is mijn leermeester geweest en nu wil ik hem bewijzen dat ik de knepen van het vak nog steeds beheers. 
 Ik kijk hem recht in de ogen. Seconden tikken weg. Hij zegt, met zijn typisch accent: ‘Dag Regina’ en ik blijf hem aankijken. Neen kerel, je hoeft me niet te groeten. 
 En hij slaat zijn blik neer. 
 Er zijn geen camera’s voorzien. Net op een cruciaal ogenblik vindt men beeldmateriaal overbodig. Het zegt me genoeg, en ik weet dat Tony nooit zoveel zal lijden als ik heb gedaan tijdens mijn ellenlange verhoren. Hij moet niet gefilmd worden. Wat is het leven van een dader toch mooi beschermd. 
 Ik voel geen sympathie meer voor hem. In de paar minuten voor het verhoor begint, besef ik met een haast euforische vlaag van opluchting dat ik niets meer voor hem voel. Enkel de angst als een kloppende, levende steen in mijn maag. De impact van zijn misbruik en zijn subtiele manipulaties op mijn leven is verstrekkend. Die eindeloos lange jaren is er geen dag geweest dat ik ben opgestaan zonder de pijn te voelen die hij me heeft aangedaan, geen dag zonder zijn gezicht, stem en aanrakingen te hebben vergeten. 
 Ik slik moeizaam mijn tranen weg, en voel vanuit mijn diepste binnenste de woede en haat opkomen. De gevoelens die ik zolang bevochten en weggestopt heb, omdat ik gedwongen was deze gevoelens te onderdrukken. 
 ‘Waarom ga je niet dood?’ vraag ik hem, en inwendig tril ik van woede. Hij kijkt me eventjes verbaasd aan en haalt zijn schouders op. Ik merk dat ik zelf dit gebaar al jaren maak, en het wakkert mijn woede alleen maar aan. 
 ‘Doe me een plezier, en ga gewoon dood!’ sis ik. Ik weet niet of het hem al dan niet raakt, maar hij kijkt me niet meer aan. Hij staart ongemakkelijk naar de muur voor hem, waar niks anders te zien is dan het eentonige beige van het behang. 
 Het verhoor is verschrikkelijk. De BOB’ers van Brussel flankeren hem, de Gentse zitten achter het bureau. De ene stelt vragen en de andere tikt met twee vingers de vragen en antwoorden op het computerscherm. Geen psychologische bijstand. Met vijf mannen in één ruimte. Mijn woede brokkelt af en ruimt plaats voor paniek, een claustrofobisch gevoel en angst. 
 Ik wil weg, ik ben bang. Er wordt geen pauze ingelast, noch een ogenblik om te bekomen van de schok hem terug te zien. 
 De Gentse rijkswachter legt uit wat ik vertelde over het misbruik en de mishandelingen die Tony me aandeed en ik krimp in elkaar. Mijn pooier zit daar! De man die me verrot sloeg, die mijn vriendinnetjes verkrachtte omdat ik zou zwijgen. Tegen die man vertelt die BOB’er wat ik heb verteld. Ik vecht om overeind te blijven, om niet uit te roepen dat ik alles intrek als ze me maar laten gaan? 
  Het is de hel, die confrontatie. Het is simpelweg het meest vernederende dat ik meemaak. Ik ga stilletjes dood in die verhoorkamer, en ik verlang ernaar te gaan slapen, en nooit meer op te staan. 
 Hij geeft koudweg toe dat hij me sinds mijn twaalfde – hij begint met te zeggen dat ik veertien was, maar geeft na een opmerking van mij toe dat ik twaalf was toen het begon – misbruikte op allerlei manieren, meermalen per week, met medeweten van mijn ouders. Hij geeft toe, met een zweem van een glimlach op zijn gezicht, dat hij een sleutel had van mijn ouderlijk huis. 
 Hakkelend, met mijn hoofd naar beneden, verwoord ik hoe hij me voor de eerste keer uitleende tijdens de Gentse Feesten. Hij knikt schouderophalend. Hij noemt de man, die ik enkel nog kan beschrijven, bij naam. 
 Hij bekent hoe hij mijn vriendinnetjes tot seksspelletjes dwong. Hij verplichtte me medeplichtig te zijn, zodat zij hun ouders niet zouden alarmeren. Er wordt enkel een heel verkorte versie ingetikt. Ik kijk ernaar met een wanhopig gezicht. Waarom filmen ze niet? Waarom krijgt hij de kans om zijn versie aan te passen, nadat ze hem een tweede keer dezelfde vraag gesteld hebben, en het antwoord niet hebben ingetikt? 
 Is dit professionalisme? Deze BOB’ers zullen niet verwijderd worden, bedenk ik bitter. Ik vraag een pauze, ik wil weg uit deze benauwende ruimte, en het wordt geweigerd. Dus gebruik ik dezelfde truc uit mijn jeugd: ik moet naar het toilet. 
 Danny, de Brusselse BOB’er volgt me op de voet. Ik word die dag blijkbaar beter bewaakt dan Dutroux, die ondertussen in een andere stad – hoewel ik dit op dat ogenblik nog niet weet – voortvluchtig is. Halverwege de gang kruip ik tegen de muur aan. Ik begin te huilen, sla mijn handen voor mijn gezicht, en het doet zo’n pijn! Ik kan niet meer. Ik voel enkel het verlies, van mijn vriendinnetjes, mijn jeugd, mijn kindjes, mijn onschuld. Ik huil, en huil, en Danny kijkt ongemakkelijk toe. Hij tracht me onhandig te sussen, legt even zijn hand op mijn schouder, maar ik kan niet meer ophouden. 
 Na lange minuten kan ik mezelf ertoe brengen stap voor stap door de gang te gaan. Ik concentreer me op de bewegingen die mijn voeten moeten maken om vooruit te komen, maar toch heb ik sterk het gevoel dat ik de twintig meter naar het toilet niet kan halen. 
 Dit is precies hetzelfde als na Clo, en na Chrissie. Ook toen dacht ik dat ik het niet zou halen, en dat ik nooit meer zou kunnen verder leven. Toch gaat het leven verder, alsof mijn lichaam zuiver mechanisch reageert tot mijn geest de zwaarste schok verwerkt heeft. Ik wil het niet, maar het gebeurt, net als het kloppen van mijn hart. En zie, ik kan de wc-deur openen en sluiten, ik kan mijn gezicht nat maken met het koude water uit de kraan. Het lukt me om achter de flik aan te slenteren, terug naar de hel, terug naar de kamer waar mijn pooier is. Zonder weerstand, enkel op het bevel van Danny’s stem die ‘allez kom! Dan ben je er van af’ fluistert. 
 Ik ben niet vrij. Ik ben nog steeds gehoorzaam. 
  
Ik ga zitten met mijn hoofd gebogen. Ik weet dat ik hem zou moeten aanvallen, vertellen wat hij me heeft aangedaan, herhalen wat ik tijdens de verhoren heb gezegd. Ik kan het niet. Ik zou het misschien kunnen, mocht mijn therapeute aanwezig zijn, of een andere vertrouwenspersoon, maar ik kan het niet omringd met mensen die ik niet vertrouw en die me spottend aankijken. 
 ‘Kom, dit is je kans, zeg het hem nu maar eens!’ schertst de Gentenaar. Ik wens hem één nacht in de hel waar ik ooit uit ontsnapt ben, zonder enige hulp van rijkswacht of justitie. 
 Ik kruip weg in mezelf, en staar naar de deur. Ik blijf naar die deur kijken, ook al stellen ze me vragen. Hun stemmen lijken van heel ver te komen. Ik ben niet echt aanwezig meer in die ruimte. Ik wil weg, weg, weg. Er rollen tranen van mijn gezicht, ook al tracht ik ze tegen te houden. 
 Jaren terug had ik de moed en het lef om op te staan en mijn pooier af te weren. Die moed heb ik niet meer. Ziet niemand dat dan? 
  
Het verhoor strekt zich dodelijk langzaam uit. Het dwingende geluid van de telefoon helpt me uit het cocon dat ik stilaan voor mezelf heb geweven. De flik antwoordt kort, legt neer, en zegt dat ik binnen tien minuten even mag bellen naar Erwin. Hij is ongerust. 
 Ik knik, en mijn hart slaat een slag over. O god Erwin. Ik heb je nodig! Ik staar opnieuw naar de deur, tot de Gentse rijkswachter het beu is en me naar een aanpalend bureau stuurt om Erwin op te bellen. Trillend duw ik mijn telefoonnummer in. De telefoon gaat twee keer over, en dan hoor ik Erwins vertrouwde stem. Ik huil, en zeg hem hallo. Hij is lief, en begripvol. Hij heeft Bie al gebeld en ook zij wacht gespannen op mijn thuiskomst. Ik mag haar opbellen zodra ik weer thuis ben. 
 Thuis? Ik kan me niet meer voorstellen dat aan deze nachtmerrie een einde komt. Ik huil, zonder me te schamen om mijn tranen. Danny staat discreet op de gang, en ik vertel Erwin dat ik Tony niet durf aan te vallen. Hij vraagt me niet op te geven. Hij wacht op me, hoe laat het ook wordt. 
 ‘Laat je niet doen Ginie. Denk maar dat ik vlak achter je sta,’ troost hij me, en ik knik. Ik kan mijn tranen niet meer bedwingen. Het lijkt alsof al die opgekropte spanning voor een echte dijkbreuk heeft gezorgd. 
 ‘Hé, weet je ’t al? Dutroux is ontsnapt!’ Erwin heeft zo zijn eigenaardige manieren om mij op te beuren. Ik snik, maar lach triest door mijn tranen heen. Dat meent hij toch niet echt? 
 ‘O jawel, maar maak je geen zorgen, daarnet hoorde ik dat ze hem terug hebben gevonden.’ 
 Ik schud mijn hoofd, en lach en huil tegelijk. Dit kan toch alleen maar in België, het land van Suske en Wiske en Lambik! Ik tracht er de humor van in te zien, maar er zijn grenzen aan wat grappig is. Vandaag gaan de ouders van An en Eefje, van Julie en Melissa, van Sabine en Laetitia ook weer door een hel. 
  
Het verhoor wordt voorgelezen. Ik luister niet, maar ben in gedachten weer thuis. Het is een overlevingsstrategie, omdat ik anders gillend weg zou lopen. De Gentse BOB’er geeft me een schouderklopje en zegt me dat ik blij mag zijn. Blij? Ik kijk hem met vlammende ogen aan. Blij om te horen dat hij bekent zonder spijt, dat hij vrijuit mag gaan, dat hij weer nieuwe slachtoffertjes mag maken? Blij met deze troostprijs? Man, loop heen. 
 Diezelfde dag, voor Tony bekende dat hij mijn pooier was – met het gemak van een man die weet dat hij nooit gestraft zal worden – hebben de magistraten besloten de nevendossiers en dus ook het X1-dossier te sluiten. Gedaan, schluss, uit. Netwerken opgraven en aanpakken? Waarom had ik in 1996 de illusie dat er iets zou veranderen? 
 Dat de parketten de dossiers zouden afsluiten wist ik al in september ’97, maar het doet pijn om het te zien gebeuren op de dag dat mijn pooier bekent. 
 
Voorwoord

Epiloog

Kapittel 13

Kapittel 23

Kapittel 28

Kapittel 63

Kapittel 68

Kapittel 69

Kapittel 79

Kapittel 83

Kapittel 84

Kapittel 85

Kapittel 86

Kapittel 89

Nawoord