Kapittel 84 
  
 
  
Ik haal bij mijn laatste verhoor in Brussel alweer de correcte foto 
 van een meisje uit een serie van veertien, allemaal zwart-wit foto’s en bijna identiek gelijkend op elkaar. Toch haal ik er de foto uit van het meisje waar ik het over had.
 Ik ben moe. De verhoren zijn nutteloos. Het enige wat men wil is bewijzen dat ik alles verzonnen heb, of dat De Baets me informatie heeft gegeven. Wie is er nu gek? De Baets zou mij nodig gehad hebben om wraak te nemen? op wie? Op wat? Als hij wraak wilde nemen tegen bepaalde personen, waarom dan een slachtoffer nemen van seksueel misbruik, terwijl hij financiële dossiers afhandelt waar cijfertjes zwart op wit op papier iemands schuld kunnen bewijzen?
 Ik voel me niet zozeer bedreigd door mijn daders – die zullen wel oppassen om me nu iets te doen – maar ik voel me bedreigd door al die dwaze complottheorieën die de laatste tijd de ronde doen.
 Ik hoor van journalisten dat er verschillende onderzoeken lopen naar De Baets en zijn ploeg, zelfs dat men de ex-vrouw van de adjudant gaan ondervragen is, om te horen of hij achttien jaar geleden niet over een ‘Regina’ praatte?
 Eerst wilden ze toetsen of ik geen relatie met hem had, nu willen ze weten of ik zijn verborgen dochter ben? En alsof dat nog niet absurd genoeg is, willen ze ook nog eens kijken of hij Tania niet zou hebben gekend, en met haar afgesproken had hem op te bellen, toevallig als hij bij Connerotte zat.
 
Overleven is niet altijd even gemakkelijk. Hoewel ik in mijn therapie goed evolueer, blijft er altijd een residu schuld, schaamte en verdriet achter. De meeste dagen voelt het aan als een doffe, chronische pijn, en leef ik met deze gevoelens als iemand die al heel lang leeft met een lichamelijke handicap; je gaat ermee door omdat je geen keuze hebt. Maar wat me beschermt tegen de negatieve houding van de pers en de BOB, is mijn boerderij. Als ik ’s ochtends opsta, heb ik geen tijd om na te denken over de hele hetze, maar moet ik mijn dieren verzorgen, de honden aandacht geven, kennels kuisen, en de hele dagelijkse routine afwerken. Af en toe belt een vriend me verontwaardigd op, maar ik haal onverschillig mijn schouders op. Het maakt me niet uit wat ze over me vertellen, ik wéét wat ik heb meegemaakt, en ik weet verdorie heel goed dat ik altijd heb getracht de waarheid te vertellen – of ze zo dicht mogelijk te benaderen. Ik weet dat ik fouten heb gemaakt, maar ik weet ook dat deze fouten voortvloeien uit de trauma’s die ik heb opgelopen, en ik laat me niet aan het twijfelen brengen.
 Ik hoop alleen maar dat, als alle gemoederen weer een beetje bedaard zijn, ik druppelsgewijs gelijk zal krijgen. Netwerken bestaan, en ik draag daar nog elke dag de gevolgen van.
 Het gekke is, dat net, wanneer ik de moed bijna opgeef en van plan ben de strijd te staken, iemand me een briefje of kaartje schrijft, waardoor ik weer een beetje kracht krijg om verder te vechten. Zo ben ik gaan houden van de briefjes van Ruf, een man die me vaak een kaartje schrijft, of hele epistels met bedenkingen of vragen. Hij is zo begaan met het lot van slachtoffers zoals ik, dat ik vaak ontroerd zijn brieven lees. Ze tonen me dat er nog mensen zijn met gevoel. Mensen die zich niet laten beïnvloeden door een georkestreerde negatieve houding in de pers.
 Zo komt er op een bepaald ogenblik een vrouw naar me toe, terwijl ik mijn inkopen in de koffer van de auto laad, om me even haar steun te betuigen. Ik glimlach verlegen, en ook dat doet me deugd. 
 Het lijkt dikwijls alsof ik tegen windmolens aan het vechten ben. Alsof niemand wil horen wat ik uitschreeuw. Alsof niemand wil weten dat er nieuwe slachtoffers vallen. Daders stoppen nooit. Zij kunnen enkel worden gestopt door hen op te sluiten en verplichte therapie op te leggen. En pooiers uit netwerken houden nooit op, met of zonder therapie. Het zijn misdadigers, die kinderen uitbuiten, met hen spelen en experimenteren alsof kinderen enkel handelswaar zijn. Ze laten de kinderen geloven dat het hun schuld is, maken hen loyaal en afhankelijk, laten hen zwijgen door hen te intimideren. Als niemand mijn schreeuw om hulp wil horen, wat zal er dan van de slachtoffertjes komen die er nu nog ongetwijfeld zijn? Wie zal naar hen willen luisteren? Soms ben ik radeloos. Hoe kan ik mijn daders (en nieuwe) laten ophouden? Wat kan ik nog doen om mensen bewust te maken?
 Want het gaat hem hier niet om enkele slachtoffertjes. Het gaat om massa’s kinderen, die ongewild en anoniem lijden, dag na dag, of zeg ik beter nacht na nacht? Eén op vier meisjes wordt ooit geconfronteerd met seksueel misbruik, variërend van handtastelijkheden tot veelvuldig en langdurig misbruik, familiaal of interfamiliaal. Bij jongens groeit het aantal slachtoffertjes ook.
 Netwerken consumeren vele kinderen. Het is een maatschappelijk probleem, even erg als verkeersslachtoffers of drugsverslaafden, alleen is het niet zo zichtbaar. Het is een sluipend gif, dat in alle stilte voortwoekert. Het maakt meer slachtoffers dan de meeste mensen denken.
 Ik vrees oprecht dat de pers en justitie door me af te breken en mijn getuigenis te bagatelliseren veel kwaad aanricht. Vele daders zullen zich nu gesteund weten door de media, en met meer enthousiasme voortdoen. Ze worden niet bekritiseerd. Ze worden niet verantwoordelijk gesteld.
 
Voorwoord

Epiloog

Kapittel 13


Kapittel 23

Kapittel 28

Kapittel 63

Kapittel 68

Kapittel 69

Kapittel 79

Kapittel 83

Kapittel 84


Kapittel 85

Kapittel 86

Kapittel 89

Nawoord