![]() |
|
| Wat ik had verwacht gebeurt ook, en weer krijg
ik de bizarre sensatie dat ik toch helderziend ben. De kranten gaan in
de tegenaanval. In geuren en kleuren wordt uitgelegd hoe ziek mijn moeder
is, mijn vaders trieste jeugd wordt er bijgesleept, met foto’ s die werkelijk
meelijwekkend zijn. Mijn moeder, de hush puppie-blik in de ogen en de darmpjes
in haar neus, mijn vader met zijn hoofd schuin en grote trieste ogen moeten
de lezers overtuigen van mijn slechtheid. Daarbij slagen sommige persinstanties
erin om elke week weer een aflevering ‘leugens van X1’ te blokletteren,
of zeg ik liever blikletteren.
Ook mijn moeders broer, zijn zoon en nog een trits familieleden mogen uitgebreid hun beklag doen, en dat doen ze grààg. Het maakt dat zij voor eventjes ‘beroemd’ zijn, zoals Kathy, de dochter van de buurvrouw die haar deskundige mening ‘ze is helemaal gek, meneer!’ met enthousiasme verkondigt. Ik sla met verbazing gade hoe flaters in de pers als mijn leugens worden afgestraft. Niet van plan elke kwakkel aan te vechten, en nog minder geïnteresseerd in al die sensatie, smijt ik de kranten op een hoop om er vervolgens mijn aardappelen op te schillen. Mijn ouders spelen hun rol met veel overtuiging, zoals ze altijd al hebben gedaan. Ik moet toegeven dat zij hun rol in de pers beter spelen dan ik. Waar ik afstandelijk blijf, spelen zij handig in op de sentimentaliteit van de kijkers en lezers. Soms vallen ze hakkelend uit hun rol. Zo proest ik het uit nadat ik mijn vader op het nieuws hoor zeggen: ‘Ik ken geen T. Meneer, ik weet niet over wie ze het heeft,’ vervolgens naar mijn moeder kijkt en dan aan haar vraagt, ‘Ken jij een T. Behalve Tony?’ Plots herinnert hij zich ‘Tony’ en zegt dat hij een vriend des huizes was, ‘een brave man, meneer’. Annemie en Douglas maken het mijn vader niet gemakkelijk als ze hem vragen of er de laatste tijd nog contact is opgenomen met Tony. ‘Neen,’ zegt mijn vader met zijn onschuldige, verbaasde stem. Echt niet? ‘Neen,’ antwoordt hij opnieuw, nu echt overtuigd. Tot de journalisten hem wijzen op een gesprek een paar maand geleden, dat is geregistreerd op het Zollersysteem. Een gesprek met Tony van achttien minuten. Telefacts wil Panorama duidelijk belachelijk maken en maakt een reportage waarin ze klasgenoten en oud-leraars opvoeren die duidelijk niets van mijn geheim gemerkt hebben. Ik heb het nooit gezien. Maar heel wat vrienden en slachtoffers van seksueel misbruik reageerden verontwaardigd op het programma. Au nom de la loi, een programma van de RTBF, baart me meer zorgen. Het is duidelijk dat die reporters informatie krijgen van binnenuit. Informatie die zeer bewust is gedoseerd. Elk foutje dat ik maakte wordt uitvergroot. De juiste details die ik heb gegeven – en die griezelig juist bleken te zijn – worden weggelaten. Mijn grote schrik is dat alle slachtoffers vanaf nu afgemaakt en geridiculiseerd zullen worden. Voornamen die niet blijken te kloppen, valse nummerplaten? al die kleine foutjes die daders ons bewust aanleren – want waarom het risico nemen om hun echte naam te gebruiken als een valse écht is voor het kind dat hem te horen krijgt – zullen nu het ‘bewijs’ zijn dat slachtoffers uit netwerken hun trauma’s ‘fabuleren’. Dat een groot deel van de media daaraan meewerkt doet me huiveren. Ze tonen urenlang, en met de nodige sentimentaliteit, de begrafenis van Julie en Melissa, roepen om wraak en verdoemenis, maar snoeren getuigen – slachtoffers die het wagen het geheim te onthullen – radicaal de mond. Ik heb de indruk dat kinderseksnetwerken in Belgïe behandeld worden zoals de concentratiekampen in Duitsland. Werd er niet beweerd dat de kampen niet bestaan hebben? Ook nu nog zijn er gekken die het bestaan ervan hardnekkig ontkennen. Helaas hebben de daders alle tijd gekregen om – in tegenstelling tot de SS – de bewijsstukken in veiligheid te brengen of te vernietigen. Ik betwijfel of er nog ooit één film zal uitkomen waar ik als kind op sta. Geen enkele krant bericht over de massa’s video’s die bij Dutroux zijn gevonden, en bij Raemakers. Geen enkele krant vraagt zich af wie die massa’s anonieme kindjes zijn op de videobanden. Niemand van het gerecht vraagt het zich af, want de banden worden vernietigd. De anonieme gezichtjes gaan op in de vlammen, nog voor iemand de kans heeft gekregen hen te identificeren. Leven ze nog? Zijn ze dood, afgemaakt in snuffmovies? Niemand toont enige interesse. Dàt maakt me kapot vanbinnen. Dutroux wordt voorzichtig goedgepraat. Het is een eenzame pedoseksueel, een psychopaat. Waar dienden dan die kelders voor? Maar ook deze vraag stelt niemand meer. Er zijn slechts weinig reporters die nog naar me luisteren, stilstaan bij de noodkreet die ik uit. Zij mogen niet publiceren of uitzenden. Ze zeggen me allemaal dat zij tegenkanting krijgen van hun chefs. De agressie van sommige weekbladen, kranten, televisieprogramma’s is beangstigend. Dit is niet normaal meer, dit is een oorlog waarbij de slachtoffers volledig verwaarloosbaar materiaal zijn geworden. Ik word kwaad als ik bedenk hoe de daders zich nu gesteund moeten voelen. Even moet ik hen de stuipen op het lijf hebben gejaagd, nu voelen ze zich weer veilig, ongetwijfeld. En ik kan niets meer doen om het tij te keren. Ik voel me schuldig tegenover de slachtoffertjes. Is het dan allemààl nutteloos geweest? Ben ik dan zo dom geweest te hopen dat mijn getuigenis andere slachtoffertjes zou helpen? Ik vrees dat ik opnieuw misbruikt ben. De signalen die in de pers worden uitgeschreeuwd zijn duidelijk genoeg. Hou je mond, want anders word je door het slijk gesleurd. Ik ben gek, een leugenaar, ik word geofferd ten voordele van de netwerken die ‘niet bestaan,’ althans niet hier in België. ‘Je hebt het tenminste geprobeerd,’ troost Erwin me. Ik knik. Waarschijnlijk zal ik zelfs mijn boerderij niet kunnen houden, mijn zakencijfer daalt zienderogen. Gelukkig zijn er de telefoontjes, kaartjes en brieven van mensen die hun steun betuigen. Gelukkig is er Tiny Mast, die een goede vriendin is geworden, en me herhaaldelijk laat weten dat ze achter mij staat en hetzelfde heeft meegemaakt. Ook haar leed is onnoemelijk groot. Stel je voor wat het moet zijn dat je als moeder – nadat je niet au sérieux wordt genomen als je aangeeft dat je kinderen allang thuis hadden moeten zijn – ook nog eens verdacht wordt. Ik ben dankbaar voor de vrienden die ik heb. Ik laat me knuffelen door Erwin en samen met de kindjes trachten we de weinige vrije tijd die we momenteel hebben zo aangenaam mogelijk door te brengen. De leerkrachten op hun school en de directeur vangen hen ook heel goed op. Ik ben gelukkig dat ik zoveel verstandige mensen mag ontmoeten. |
|