![]() |
|
| De twee BOB’ers waar ik het mee moet doen vanaf
nu, komen
me ophalen voor een ‘informeel’ gesprek. Ik voel me niet echt op mijn gemak, en tracht uiterlijk onbewogen te blijven. Meegevoerd worden met alweer nieuwe mensen roept opnieuw nare herinneringen op. Toch ben ik te koppig om mijn angst te tonen. Zo blijf ik lachen, onbezorgd en niet overdrijvend, juist genoeg om spontaan te lijken. Voor de zoveelste keer krijg ik de opmerking ‘dat ik er goed uitzie’! Hoe moet ik er dan uitzien? Hoe zien slachtoffers eruit? Als doodgravers, als gebogen en gebroken schepsels? Moet het van je gezicht te lezen vallen, wat moet ik doen om er als slachtoffer uit te zien? Maar geduldig als wat antwoord ik dat de verhuis naar de boerderij me goed heeft gedaan. Wat zij niet weten, is dat hoe zwaarder ik lijd, hoe minder de buitenwereld daar iets van merkt. Dat vergt jaren training. Helaas wordt ook juist dit tegen mij gebruikt. Bitter bedenk ik dat mijn daders van mij een perfect slachtoffertje hebben gemaakt. Met zijn drieën gaan we aan een tafeltje in een dorpscafé zitten. Ik zit tegenover hen, taxeer hen zorgvuldig achter mijn lachende gezicht. En nog voor het gesprek begint weet ik al dat ik een verloren strijd ga uitvechten. Zelfs als deze mensen me geloven – ze hoeven niet elk detail gretig te geloven, ik ben niet onfeilbaar, maar op zijn minst geloven dat mij iets ernstigs is overkomen – zullen zij hun bazen braafjes volgen. Het zijn geen eigenzinnige mensen op zoek naar de waarheid en recht. Het zijn marionetten van het systeem. Als hun baas beveelt: zoek naar onjuistheden, en zoek een manier om haar ongeloofwaardig te maken, zullen ze dat met evenveel enthousiasme doen als naar de echte waarheid zoeken mocht hun baas daar opdracht toe geven. Het doet pijn, dit inzicht. Zij zullen niet wakker liggen van de slachtoffertjes die nog zouden vallen. Het enige wat voor hen telt is hun carrière. Nauwelijks twintig seconden later krijg ik de bevestiging. Eddy verhaalt mijn bedenkingen in deze bewoordingen: ‘Ons maakt het niet uit of het waar is of niet. Het enige wat voor mij telt is mijn loon op het einde van de maand.’ Ik glimlach berustend. Ben ik dan toch helderziend? Het gesprek wikkelt zich af in een voorspelbare richting. De bewakings- en opsporingsbrigade van de rijkswacht vindt dat de bal in mijn kamp ligt. Ik ben diegene die de bewijzen moet aandragen, zij doen geen terrein- of speurwerk meer. In deze bewoordingen vragen zij mijn medewerking. Als ik opper dat ik niet bij machte ben huiszoekingen te verrichten, noch bewijzen kan aandragen als zij ze niet willen onderzoeken, lachen ze me gewoon uit. Dat is dan pech voor mij, daar komt het op neer. Eddy begint te insinueren dat het allemaal niet zo erg kon zijn. Want kijk eens, ik heb een man en vier kinderen, ik heb alles wat ik wens en bovendien lach ik te veel. Hoofdschuddend om zoveel onwil leg ik nog maar eens uit dat ik als slachtoffer toch het recht heb op een beter leven. Ik heb gevochten om gelukkig te kunnen zijn, ik heb al jaren therapie achter de rug, en het is niet omdat ik succes heb in mijn huidig leven dat het mijn verleden minder erg maakt. Het is niet aan hen besteed. Achter deze rijkswachters, en Danny kent me nu al ettelijke maanden, staan hun oversten en parketmagistraten die niet eens de moeite nemen me te leren kennen. Als deze BOB’ers al zoveel vooroordelen hebben, hoe kan ik de anderen dan overtuigen? Komaan zeg, scandeert Eddy nogal luid, je hebt er toch ook plezier aan beleefd? Je kan toch niet zeggen dat alles slecht was? Ik was toch verliefd geweest op Tony? Na precies één jaar verhoren, waarin ik met respect was behandeld, poogde ik braafjes tekst en uitleg te verschaffen bij mijn ‘verliefdheid’. Ik was niet verliefd op hem, ik hield van hem; zoals een dochter van haar vader. En of ik er plezier aan had gehad? Er waren schaarse momenten geweest. Gelukkig maar, anders had ik hier niet meer gezeten, zo ging ik verder, maar dat maakte de mishandelingen en het seksueel misbruik er niet minder erg op. Soms had hij eens naar me geglimlacht, soms had hij me eens goedwillend geknuffeld? om me vervolgens in het bed te dwingen met de man aan wie hij me verhuurd had. Het twee uur durende gesprek brengt me geen soelaas, integendeel. Het leert me dat ik niet te veel meer moet hopen. Ik besef dat ik nooit vrij zal zijn . |
|