Kapittel 68 
 
 
 
Er komt een abrupt einde aan deze rustige toestand op het ogenblik dat Erwin met een bezorgde blik een krantenartikel onder mijn neus schuift: ‘Luikse procureur onderzoekt suggestieve werkmethodes: speurders in opspraak.’ 
 Nog voor ik verder lees begrijp ik dat, net op het ogenblik dat ik begon te geloven in een goede afloop van de onderzoeken, de daders een slag hebben thuisgehaald. 
 Er worden geen namen genoemd van de vijf topspeurders die Michel Bourlet nu kwijt is, maar ik kan me levendig indenken wie uitgerangeerd is. Met een wee gevoel in mijn maag lees ik dat De Baets en de zijnen verplicht verlof kregen opgelegd en nu overgeheveld worden naar de financiële sectie, omdat onderzoeksrechter Van Espen vragen zou hebben rond de ‘loyaliteit’ van de speurders, en hen suggestieve werkmethodes verwijt. Verslagen gooi ik de krant tegen de muur. Ik voel me woedend en machteloos, en begrijp dat nu elke kans om de daders aan te pakken verkeken is. 
 Al wat je zegt kan tegen jou gebruikt worden, Ginie. 
 Tony heeft gelijk gehad! Mijn daders winnen weer, en ik had het kunnen weten. Waarom geloofde ik in die rijkswachtploeg? Waarom heb ik niet gezwegen? 
 Ik sluit me af van de buitenwereld, tracht door te werken in de hoop de paniek de baas te blijven, maar ik beef bij elke beweging die ik maak. Wat heb ik gedaan, schiet er voortdurend door mijn hoofd, om integere mensen hun carrière stuk te laten maken, terwijl ik wist dat mijn daders te machtig waren? 
 Met trillende vingers druk ik ’s avonds laat de nummers van Patrieks gsm in. Hij neemt op. Ik wil hem zeggen dat het me spijt, dat ik beter had moeten weten, maar voor het eerst in lange, eindeloze jaren barst ik in snikken uit. 
 ‘Regina?’ vraagt hij verbaasd. Hij kent me als de stoere, nuchtere vrouw, die nooit haar emoties toont. Het moet bizar zijn me te horen huilen. 
 Ik snik ‘ja’ en tracht hem te vragen of het nieuws in de krant correct is. 
 ‘Het is waar,’ zegt hij, stiller dan anders. Hij laat het niet echt merken, maar ik voel in zijn stem hoe hard het hem geraakt heeft. 
 ‘Is het mijn schuld? Heeft het met mij te maken?’ vraag ik hem tussen mijn snikken door. 
 ‘Ja.’ 
 ‘Het spijt me, Patriek’ fluister ik, en de onmacht die ik voel stijgt naar ongekende hoogtes. Ik heb het gevoel dat opnieuw mensen gestraft worden omdat ik het gewaagd heb te praten. Net zoals vroeger. 
 ‘Het hoeft je niet te spijten, Regina. Wij geven niet op, jij toch ook niet?’ 
 Met een benepen stemmetje neem ik kort afscheid, wens hem het allerbeste, en haak in. 
 Onbedaarlijk begin ik luidop te huilen, minutenlang. Erwin komt binnen, en neemt me zacht vast. Woordeloos laat hij me begaan. 
  
Ik word stil en bedrukt. Wat staat me nog te wachten? Moet ik opgeven of durf ik koppig door te gaan met een nieuw team BOB’ers? En wat is er juist allemaal gaande bij de derde SRC? Ik weet evenveel of even weinig als ieder andere buitenstaander, en volg ongerust de krantenberichten. 
 Een dag na het krantenartikel dat Erwin me heeft gegeven, verschijnen berichten met Patrieks naam in, met insinueringen over zijn ‘partijdigheid’. Ik weet heel goed wat ik gezegd heb tijdens de verhoren, en ik herinner me ook precies welke vragen De Baets me stelde. Het waren steeds gewone vragen, niet suggestief, of toch niet in die mate dat het zou verschillen van andere rijkswachters die me zouden ondervragen. Wie was erbij? Weet je nog welke dag, welk jaar? Herinner je details? Het zijn vragen, ja, maar hij heeft me nooit pasklare antwoorden gegeven, of gesuggereerd. Hoe zou hij dat ook gekund hebben, als hij pas na mijn verklaringen oude dossiers ging inkijken? Hij had in zijn hele leven nog nooit van kinderseksnetwerken gehoord! 
 Sinds november ’96 waren er interne strubbelingen. Dat had ik kunnen merken aan zijn gestresseerde houding, en hij had een psychologe aangesteld om mij te ondersteunen, de parketmagistraten uitgenodigd de verhoren te volgen in de videokamer, hij liet zelfs de camera’s lopen tijdens de pauzes om te voorkomen dat men achteraf zou beweren dat we tijdens de pauzes antwoorden creëerden. Ik hield me streng aan de afspraak om met geen enkele getuige of vroeger vriendinnetje in contact te komen om te vermijden dat men kon zeggen dat we onderling bepaalde antwoorden hadden afgesproken. Ik wist wel dat er andere X’en waren, onder wie zeker Anke, maar verder wist ik niet welke naam de andere X’en hadden. Zelfs met Anke, die ik dolgraag weer wilde ontmoeten, nam ik geen contact op omdat ik dat zo had afgesproken met de BOB. Dossiers, zoals dat van Clo, werden pas opgevraagd nadat ik mijn getuigenis had afgerond. Al die tijd moet hij tegenwind ervaren hebben, maar zelfs dat had hij me nooit meegedeeld. Ook dat hij op verplicht verlof was gestuurd wist ik uit de kranten, en niet van hem. 
 Ik aarzel, wacht tot iemand van de rijkswacht mij contacteert, maar het blijft stil. Blijkbaar vind niemand het nodig mij op de hoogte te stellen. Uiteindelijk bel ik Danny op. Het feit dat hij niet is gesanctioneerd maakt dat ik hem wantrouw, maar wat kan ik anders dan proberen te bewijzen dat de eerste ploeg wel op het goede spoor zat? 
 Danny is blij verrast me te horen, althans zo laat hij het klinken, en laat doorschemeren dat hij me niet mocht opbellen. Ik uit mijn bezorgdheid, hij spreekt af dat we een informeel gesprek kunnen hebben om ‘alles eens uit te praten’. Alleen dat al doet me aan vroeger denken. Tony kon soms ook poeslief zijn, maar zodra ik mijn hart had uitgestort, strafte hij me. Hij was zeer vindingrijk in alle vormen van intimidatie. Ik leerde iedere keer opnieuw dat alles wat ik tegen hem zei, zich uiteindelijk altijd tegen mij keerde. Dat gevoel krijg ik opnieuw bij Danny. 
 
Voorwoord

Epiloog

Kapittel 13

Kapittel 23

Kapittel 28

Kapittel 63

Kapittel 68

Kapittel 69

Kapittel 79

Kapittel 83

Kapittel 84

Kapittel 85

Kapittel 86

Kapittel 89

Nawoord