Ik herinner me hoe ik op
tienjarige leeftijd, eind juni 79, op de
drempel zat te wachten op mijn moeder, mijn
Samsonite-koffertje bij me. Toen ik anderhalf was werd ik
elke week naar mijn grootmoeder gebracht, en nu kwam aan
die lange periode eindelijk een einde. Vandaag kwam mijn
mama me voorgoed halen.
Mijn grootmoeder was razend op me. Ik was het
gewoon als slecht te worden bestempeld, dus ik dacht echt
dat ik schuldig was aan al de haat en woede die me te
beurt waren gevallen. Anderen noemden mijn grootmoeder
gewoon streng maar ik wist dat het meer was dan dat. Ik
had haar kwaad gemaakt omdat ik niet meer gehoorzaamde.
Ik kon het niet meer. Iets in mij was gebroken, ik had
gewoon geen energie meer om haar opdrachten te vervullen.
Ik duwde mijn herinneringen ver weg, sloot de deur van
mijn geheugen, en wachtte geduldig tot mijn moeder
arriveerde.
Ik kreeg vergiffenis. Ik had mijn straf uitgezeten.
Mijn mama en papa zouden nu wel weten dat ik braaf was.
Ik mocht naar huis, zij zouden nu voor altijd van mij
houden en alles zou nu goedkomen!
Maar toen ik thuiskwam, was er geen welcome-party.
Er was niets, behalve chaos. Het huis was onverzorgd, er
liepen veel honden rond die de ruimte voor zich opeisten,
de keuken was volgestouwd met vuile vaat. De tuin was
overwoekerd door verwilderde bomen, met stapels rommel en
een oude beschimmelde zetel. Mijn kamer was nog nooit
herbehangen, er lag nog steeds diezelfde oude, omgekrulde
linoleum op de vloer; er stond ouderwets
slaapkamermeubilair van mijn moeders broer, met een
tweepersoonsbed en een matras waar de vering doorstak.
Het rook er naar schimmel en kattenpis. Ik liep door het
huis, maar niemand merkte me op. Mijn moeder werkte, mijn
vader werkte of sliep in de zetel voor de televisie die
onophoudelijk Franstalige rommel uitbraakte. Ik voelde me
verloren. Na drie dagen durfde ik pas vragen wanneer er
gegeten zou worden. In al die tijd had ik niets te eten
gekregen. Ze waren me gewoon vergeten.
Verveeld antwoordde mijn moeder dat er nog wel een
blik spaghetti in de kelder stond. Ik had vreselijke
honger, miste de maaltijden uit Knokke, die wel altijd
stipt en overvloedig waren. Het blik vinden kostte al
enige moeite, het lag onder een hoop stof en stond tussen
potten confituur die daar minstens drie eeuwen leken te
staan. Ik vermeed wijselijk de houdbaarheidsdatum te
controleren. Maar in die keuken ook nog een blikopener en
een pan te vinden was haast een onmogelijke opgave.
Uiteindelijk at ik het blik koud op, omdat ik het
kookfornuis nadat ik al de rommel verwijderd had
zag ik de zwartgeblakerde bekkens niet aan de
praat kreeg. De jaren sleepten zich voort. Ik hervatte
mijn rol en speelde het gelukkige kind al was het
maar om mezelf te overtuigen van mijn geluk maar
het kostte handenvol energie. Ik kwijnde weg. Ik zag hoe
mijn moeder met mannen naar bed ging wanneer ze er de
kans toe kreeg, hoe koud en leeg haar relatie met mijn
vader was, op het hatelijke af. Niet dat ze ooit ruzie
maakten, dat niet. Mijn vader verdween iedere keer als
mijn moeder aanstalten maakte met hem te praten, en mijn
moeder zette de tv of de muziek luider iedere keer als
mijn vader tegen haar wilde praten. Het was een koude
oorlog, zonder woorden, maar het terroriseerde ons gezin.
De vijandigheid ten opzichte van elkaar strekte zich ook
uit tegenover mij. Geen van beiden maakte ook maar één
minuut tijd voor me vrij. Ik was inwonend, meer niet.
Op mijn twaalfde was ik een schim geworden. Ik
waste me nog nauwelijks, mijn lange haar hing er ongekamd
en ongewassen bij, mijn kleren waren een samenraapsel van
vuile oude kleren, die ooit van mijn moeder waren
geweest. Tijdens de twee jaar dat ik thuis woonde had
mijn vader slechts tweemaal iets nieuws voor me gekocht:
het kleedje voor mijn plechtige communie en een sweater
met een paard op. Ik had een bodywarmer als jas, ook in
de winter. Ik had een paar aftandse baskets en drie
onderbroekjes, die ik uit mijn moeders kast gejat had.
Het meisje waar ze vroeger zo mee paradeerden was
uitgegroeid tot een tiener met het lichaam van een jonge
vrouw. Ik was niet meer dat poppetje met gouden
krulletjes van vroeger. Er konden niet langer strikjes in
mijn haar gezet worden, er viel geen eer meer met me te
halen. Dus was het stuk speelgoed niet langer
interessant.
In deze omstandigheden leerde ik Tony kennen. Ik
kwam lusteloos het atelier binnenwandelen waar mijn
moeder honden toiletteerde. Tony zat op zijn typische
manier op de barkruk. Mijn moeder stond tegen haar bureau
geleund, een glas wijn in de hand, haar verleidershouding
zoals ik het toen noemde.
Ha Regine, je bent daar!
Ik keek haar een beetje uit het lood geslagen aan.
Mijn moeder? Ze praatte tegen me? Wat was er nu weer op
komst? Ik keek vlug naar de man op de barkruk. Hij keek
me aan met pretlichtjes in zijn ogen. Hij had me al de
hele tijd zitten aanstaren.
Dit is Tony. Ken je hem?
De code. Vergeten, maar ingeprent. Ik mag niemand
kennen of herkennen. Dus herken ik hem niet.
Neen.
Maar in mijn geheugen is hij al geregistreerd. De
honden. Het geblaf, hun gehijg.
Tony, dit is Regine, lalt ze. De wijn
heeft zijn werk al gedaan.
Regina, verbeterde ik automatisch. Niet
dat het veel zin had natuurlijk, ze hoorde me niet eens.
Hoe oud schat jij Tony? vraagt ze me.
Ik kijk in zijn gezicht, vergeet dat hij mijn hand nog
steeds vasthoudt en antwoord: Veertig.
Eerste fout. Mijn moeder is boos, omdat ik zo
onbeschoft ben. Maar hij lacht luidop en zegt dat hij
mijn eerlijkheid op prijs stelt. Maar ik ben ook
veertig! lacht hij. Mijn moeder repliceert dat hij
er bijlange geen veertig uitziet. Het cliché. Ik zucht
bij zoveel show.
Hij laat me niet los. Ik blijf voor hem staan,
gehoorzaam. Hij streelt over mijn haar, heft mijn kin op.
Ik kijk recht in zijn ogen. Ik bluf.
Vanaf nu is Tony jouw eigenaar, zegt
mijn moeder. Ik aanvaard. Hij lijkt me wel wat. Eén man,
één eigenaar. Ik kijk naar hem, neem hem op met mijn
ogen.
Ik zal je temmen, liefje, fluistert
hij.
Dat weet ik, fluister ik terug.
Het kan me niet schelen. Hij is de eerste die me
langer dan twee minuten intens aankijkt. Ik besta.
Ze is vuil, zegt hij tegen mijn moeder,
zonder zijn ogen van me af te wenden. Ze haalt haar
schouders op.
Je moet haar maar wassen, zegt ze.
Ik voel een jaloerse ondertoon. Zelfs met mijn rug naar
haar gekeerd weet ik hoe zuur ze nu kijkt. Zij wil
aandacht, mooi zijn, begeerd worden. Hij neemt me bij de
hand, brengt me naar het bad, zet shampoo en balsem klaar
en wast uitgebreid mijn haar. Het is lang en hopeloos
verward, maar hij neemt zijn tijd, wast het, spoelt de
zeep eruit, wast het opnieuw en masseert met geduldige
precisie de balsem in mijn haar. Hij spoelt mijn haar af
met lauwwarm water. Mijn hart komt langzaam tot leven.
Elke aanraking van zijn hand op mijn hoofdhuid maakt iets
bij me los. Het contact dat hij met me legt op dat
ogenblik, maakt dat ik hem onherroepelijk en
onvoorwaardelijk zal volgen, jarenlang. Daar legt hij de
basis als een volleerd psycholoog. Hij duwt me op een
krukje, zet de droger aan waar mijn moeder haar honden
mee droogt, en borstelt zorgvuldig elk knoopje uit mijn
haar. Na een halfuur vallen mijn haren als een gouden
krans om mijn gezicht. Het voelt licht en glanzend aan.
Tony is tevreden. Ik glimlach naar hem, verlegen. Dit is
de eerste keer dat ik op zon aangename manier ben
aangeraakt. Ik voel me? geborgen. Ik wil graag zijn
eigendom zijn.
Hij nam me een paar dagen later mee naar de bioscoop.
Hij had me opgedragen in bad te gaan, en hij had mijn
haar weer gewassen. Hij repte met geen woord over het
feit dat ik zijn eigendom was, integendeel. Hij vroeg me
mee naar de bioscoop, als op een afspraakje.
Zo helemaal anders dan de mannen die me gewoon?
pakten. Hij betaalde de tickets, en hand in hand gingen
we in het zaaltje zitten. Hij praatte zacht tegen me,
streelde me over mijn haar. Ik voelde zoveel genegenheid
voor hem. Hij was de eerste volwassene die me zag als een
persoon. Mijn vertrouwen in hem was groot, en ik legde
mij in zijn handen. Ik liet merken dat hij op de korte
tijd dat hij aandacht aan mij had geschonken, zichzelf
onmisbaar had gemaakt.
De film begon, de zaal werd donker. Hij hield zijn
arm uitnodigend open en ik kroop dicht tegen hem aan.
Nee, ik zag hem niet als een minnaar. Ik zag hem als een
vader. Naïef en onschuldig legde ik mijn hoofd tegen
zijn borst. Zijn ademhaling liet een rust over me komen.
Ik voelde me zo geborgen. Ik voelde me als een dochter
die eindelijk weer bij haar papa op schoot kon, na een
lange afwezigheid. Ik voelde me weer kind. En toen gleden
de toppen van zijn vingers over mijn borst. Ik voelde de
aanraking en ergens in mij ging een alarmbel
rinkelen maar ik trachtte die te negeren. Wanhopig
hield ik vast aan de geborgenheid die ik daarnet had
gevoeld. Zijn vingertoppen raakten mijn tepel aan en er
ging een zindering door mijn lijf.
Dit was geen toevallige aanraking meer. Nog meer
alarmbellen gingen af. Mijn waarneming verscherpte zich.
Zijn hand gleed naar beneden. Bleef rusten op mijn
dijbeen. Langzaam, steels, trok hij mijn rok omhoog. Ik
bleef stil liggen, met mijn hoofd tegen zijn borst. Maar
zijn ademhaling had niets rustgevends meer. Hij ging met
zijn rechterhand in mijn slipje. Duwde mijn benen een
beetje uit elkaar.
Ik spande me op, trachtte nog verkrampt vast te houden
aan het droombeeld van enkele minuten geleden, maar zijn
vingers die hun weg zochten om binnen te gaan
versplinterden elk sprankeltje hoop. Hij wou seks en ik
kon het niet geven. Ik kon niet, wilde niet! De handen
van de man aan wie ik mijn opperste vertrouwen had
geschonken mochten niet doen wat al eerder gebeurd was!
Ik had hem nodig als vader.
Hij hield na een tijdje op. Hij haalde zijn arm weg
en duwde me recht. Ik trok beschaamd mijn rok naar
beneden. Teleurstelling en verdriet. En tegelijkertijd
voelde ik de schuld groeien. Wie was ik om hem dat te
weigeren? Hij was toch goed voor me? Hij had me verzorgd,
naar me gelachen, hij had me zoveel aandacht gegeven! Het
was toch normaal dat ik iets in de plaats moest geven?
Niets voor niets in dit leven, had mijn grootmoeder me
ingeprent.
Hij trok me mee naar buiten, beval me bars in te
stappen en reed zwijgend weg. Ik voelde me zo schuldig,
dat ik er bijna aan kapot ging. Tranen wogen zwaar in
mijn ogen. Zou hij me nu verstoten? Hij stopte voor de
deur. Ik bleef treurig, met gebogen hoofd, zitten. Hij
bleef me enkele tellen onbewogen aankijken.
Gina, ik weet dat je me niet wil. Dat is je
goede recht. Ik zal een ander meisje zoeken, we praten er
niet meer over, oké?
Mijn hart brak in duizend scherven. Ik wilde hem
niet verliezen. Sterker nog, het voelde alsof ik zou
sterven als hij me afwees.
Het spijt me Tony, ik had het zo niet
bedoeld? ik was een beetje bang. Ik drong met de
moed der wanhoop de tranen weg. Hij aaide mijn haar.
Gina, je moet begrijpen dat een volwassen man
zo zijn noden heeft. Ik kan niets beginnen met een meisje
dat zich voordoet als een klein kind. Begrijp je
dat?
Ik knikte verslagen. Maar natuurlijk, hij had
gelijk. Ik had me vreselijk aangesteld. Al wat hij wilde
was seks. Dat was toch niet zo erg?
De volgende keer zal anders zijn Tony, ik
beloof het.
Hij zuchtte.
Goed, we doen het zo: als je bereid bent, bel
je me zelf op, oké? Ik zal zelf geen initiatief nemen.
Jij bent verantwoordelijk? goed?
Ik knik en weet dat ik nog dezelfde dag zal
telefoneren.
Vanaf die dag zou de verantwoordelijkheid bij mij liggen
een perfect opgezette val die hem van elke schuld
ontlast. Hij heeft zijn prooi binnen.
|
Voorwoord
Epiloog
Kapittel 13
Kapittel
23
Kapittel
28
Kapittel
63
Kapittel
68
Kapittel
69
Kapittel
79
Kapittel
83
Kapittel
84
Kapittel
85
Kapittel
86
Kapittel
89
Nawoord
|